| Een zilvere onderriem uijkest__g[?] in een messekoocker ende aenr__x in een huissebuijl mit een paer zilvere messe hechten t samen genomen op dertich loot t bloot des vooren comt een zilver hooft ijser met ene ketting ende zilver knoop in haer dagels__ tas t versz[egde] genomen op noch een zilvere slotelraeccx mit een bloetcoralen vijftien ten __ wegen driesent wonichbe__ als vooren genomen compt noch een goude wapenring gesstimeert op een gladde gouden harepinnen op een pareldering op een robijn ringetgen op een claer ringetgen met een clablom op een vergult ringe costertge op een vergulldt testamentboeck met coprere slooten op
Lindewadt een paer slaeplakens die zij les laest op | 39. 6. 29. 10. 7. 4. 5. 3. 1. 2. 4. | 0. . 18.
. . 10. 10. 10. 5 5 . | . . . . . . . . . . . | |
| las | 112. |
18. | . | |
noch | een paer __aer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op fluwijnen eerst een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer op noch een paer boven op noch van elff kinder fluwijntgens
van verschijden soorte t s__ op noch vijf voorweijnachth als dencken t _-j op | 4. 4. 5. 5. 6. 3. 4. 3. 4. 4. 4. 1. 2. 2. 1. 1. 2. 1. 1. 1. 4. 3. | . . . 10. . . . . . . . 15. . 5. 5. 15. 5. 10. 15. 15. .
. | . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | |
| Lat | 69. | 15. | . | | |
|
noch een wit schootewaet op noch een wit gestrijptlijfgen op noch acht tafellakens op noch twee peulu waetgens op noch zes geteken mutskens op noch zevennegen deukenhuijfden op noch zeventien mutssn met kaint met twee bandetgens tverz[egdde] op noch vijfacht neus doucken met kant t verz[egde] op noch twintich slachte neus doucken op noch drie slachtelinde tafellakens op noch thien twaelff hembden op noch veertien zestien craechgens | 0. 2. 7. 0. 3. 4. 4. 4. 4. 1.
1. 9. | 12. . . 10. 12. 0. . . 10. . 5. . | . . . . . . . . . . . . | |
goet of quaet | versz[egd] op noch zes geplacte craechgens op noch tweentwintich sooservietten op
noch aen hembden cragen hant doucken ende ander linden boven tversz[egde] op noch aen groot tafellaken op noch een deel halfkens luijren hant douckkengen ende andere kleurde zijnen van linden op | 20. 2. 8. 22. 3. 3. 95. | . 10. . . . . 15. | . .
. . . . . | |
| noch twee mans gesteken slaep mutsen op noch een wit wolleluijrooileen[?] swachtel op noch een root incarmaetluijr[?] mit een root craproot op noch een kindeluijr met spelden werk op clederen van versz[egde] Maijcken Enten een laeckensevlieger met flu welelijften van noch een here saije vlieger met
koorden op noch nijboialle[?] keurs met twee fluwe koordingeslagenboort op noch een vijfschaftekeurs met een lijftop noch een paersse karnebotte kears met op noch een rode incormaetteskeurs[?] op noch een saijekeurs met trijpte koorden op noch een saije wacht op noch een beste heijck op noch een som a__chse hoijckop noch een loop hoijck op | 1. 0. 4. 1. 20. 15. 15. 10. 17.
18. 5. 5. 18. 10. 4. 145 | 9. 12. . 4. . . . . . . 10. 10. . . 10. 10. | . . . . . .
. . . . . . . . | |
| noch een caffaborst op noch een caffaborst met hare saije mouwen op noch een saij borst op noch een vijff schafteborst op noch een saij grouwgatgen op noch een vijff schaft bonteman teltgen op noch een twee boralle schoonclaen noch drie saije paersse schoowcleen op noch een turcxpack greijne cleren met satijne mouwen op
huijsraet ende imboedel een wageschotte cas op te kelij dercamer op een glasecas met verscheijden glasen op noch negentien tafreel borretgens zeegeprint als andere versz[egde] noch een deel galeijsse platielen of comen[de] versz[egde] op noch een beddepan met drie copere kandelaers op noch een aertblaecker mit een plaet op | 12. 6. 4. 6. 4. 6. 2. 3. 10. 25. 6.
8. 4. 6. 1. | 0. . . . . . . . . . . . 10. . 5. | 0. . . . . . . . . .
. . . . . | |
| Lat | 104. | 5. | . | | |
| noch negen item tinne platielen t zij op 23 pont genomen t pont 9 st[uivers] noch acht tinne teljoeren[?] mit een waterbeckertgen op 10 st[uiver]s r noch twee cleijnde platieltgus een tinne waterpot ende zout
vathten op 5 st[uiver]s noch een blaetbalck ende in schuijm spaen met zes aerde kannen mit tinne littensz op noch een tucktafel mit cleet daerop op noch een ront tafelgen op noch een beslaen wageschotte bairckoop noch drie schalletgens versz[egd] op noch een slaepbanck op noch een kinderbed dat genmitaen[?] peuluwe op noch twee oorcussens mit twee witte deeckens op noch een schermpgen aenen muijr hangende ende een predeckstoel op noch een haert ijser een tang een heugel een asschep ende een hangijser op noch zeven oude zitkussens zoo die zijn__ op | 10.
4. 2. 3. 6. 1. 2. 1. 2. 2. 6. 2. 1. 4. 50.
| 7. 10. 5. 5. 10. 15. . . 10. 5. . 5. 15.
. 7.
| 0. . . . . . . . . . . . . . . | |
| noch vijff groene matte stoelen op noch een casgenraet verscheijden broucken versz[egd] op
noch ene bostel met walvischbeen ende een ander met een tinne brookertgen t versz[egde] op op t bovencamer een bedde met eeen hooftpeuluwen op noch twee oorcoussens met fluwijmen daer aen op noch een carrtoirdecken op noch vier zitkussens op noch vijftafereel bouvetgens op noch twee coistereseijfsels die ongeprijseert gewaren zijn noch een paer luijrmandens met enich goet __ring op | 1. 3. 1. 18.
5. 1. 4. 1. 2, | 10. . 10. . . 5. 10. 10. , | . . . . . . . . , | |
met een spieg | el noch een overcaen lanckgen op noch een caspstock ende cleijn slaep banckgen op noch eeen heutte wichgen doos ende stooffgen op noch een paer rode gordijnen ende twee rabatgens op mijtver groen tafelcaegen_- op opte achtercamer een bedde peuluwe ende deecken t versz[egde] op | 5. 3. 2. 2. 10. 61. | .
. 5. 15. . 50. | . . . . . . | |
| noch een oude decken ende oude kist op noch een vaelle banck mijt leren mainde ende anders op noch een bontkermosth ende viers toelen op noch een deel out coperwerck op noch een rooster op
noch twee een kopere ketels twee asch ketels een copere poth van pasteij en aen een pannet ouckpan een rechtbanck twee was tobben ende twee waetteremers mit een cleerben ende anders t versz[egde] op noch eenige mandergens wat ende wat ander romeling op noch een eijcke porsgen op notch een tonnestoel en scherfback op | 1. 1. 2. 1. 0. 12. 1. 1. 0. | .
. . 10. 15. . . 10. 15. | . . . . . . . . . | |
itgen belocq_- | clederen ende lijfbehooren
|
Ick zegge zeven _ierentwintich __rie zeven sants | hondert _eerst een lap nieue hersooijert een leijen een paer caffa mouwen een paersselalackensekaers een zwaerte lackersekeurs
een paersse _egroekerus een paerboralle mouwen met een wantettgen een here songlijf een zijde schortalert met een bourt |
| een moffe mit een hantschoen een zilvere onderriem mit een fluwele ta__ ende een zilveer kettinge aerin __knoopen zilver noch een goude ring mit een clapbekst__ noch een messekoocker mit een zilver ro__ daerin ende een zilver raex tot cousseb__ noch aen amsterdamse soijck[?] noch zes hembden noch vier witte schortebe__                                      noch lichtenens deucke noch vijff lubbercragen
noch zes enckel beffgens clederen van Harmen van Otten ende lijfbehoorten een stick heresaijclederen noch een gregen manteltgen noch een zo zilver knoopen met een zilver spaentgen noch een goude ring mit een clabbeksteen |
A | ldus gedaen beschreven ende inge geinventariseert ^ ende |
^mitsgaders geproijseert respective | geproijseert bij mij ad notario publi[iek] int hooft deses gemelt ende ende Neeltgen Ponsschen
elck in den zijnen ter versoucke ende overstean als tso off deses vermelt op ten vierden februarij a[nno] XVJ /c ende eenendertich A Paedts nota[ris] publ[iek] 1631   |
# te versoucken van versz[egde] Maijken Enten int hooft van desen gemelt | gecalculeert # vrij te dienen daer ende zoot van node wesen zal ende ten oirconden van dien desen opten VIIJ en februarij anno 1631 in pntie van ondergesz getuijgen ende verclaerde de m__aken ente ende verclaerde d zelve Maijken Enter
|
| voor mij notario met naer genoempden getuijgen compareerden oprechtelijck ende ter goeder trouwen dat zij geene andere noch meer schulden heeft als hier vooren gechopresseert worden ende der halven alsoe Jan de Vogel zwager voorn[oemde zelve |
_t d selve zij [sc]hoonzuster [ae]ngaen[de] t gunt [voor]en heur zelven _uijtden __wa__ ende mitsdien voor secker hielden | Maijcken Enten vastelick vertrouwde wel voor zeecker hielde datter geene daar schulden zouden openbaer of bekent worden zoe verclaerde d selve # heur bijdesen als borge voord zelve Maijken Enten te stellen ende constitueren ende voorts
aen te nemen ende te preseteren den voorn na |
voor mij nota [ris] ende den getuijgen onder genoempt ende compa [rant]en | te belooven bij desen persoon van Matheus Pietersz Kint die mette zelver Maijken Enten in een huwelicken staet zal verdaderen te zullen af houden ende bevrijdencosteloos ende schadeloos van alle de voordere ende andere schulden of lasten die nae desen ten laste van voorsz[egde] Maijken geeijscht of gepre tendeert zouden mogen werden daer toe hij bij desen verbinden[de] es zijn persoon ende alle zijne goederen geen uijtgesond[er]t des zo beloofde d zelve Maijken Enten met adsistentie mijns not[ari]s als haer gecooren voocht den selven
Jan de Vogel haer zwager van versz[egde] boedel nochte tebevrijden costeloos ende schadeloos |
| te houden onder verbant van alle haere goederen ende versochten de comp[aran]ten bij mij notario hier van acte in fomra geexpeseert ende hen gelevert te werden aldus gedaen ende gepasseert te opten VIJ en februarij an[no] 1631 ter p[rese]ntie van Jan van Sonnevelt ende Abram de Geijn schrijvers als getuijgen gelooffwaerdig hier toe betadssers[?] mij notario gereq[uireer]t |