| Op heeden den 4e october 1771 compareerde voor mij m[eeste]r Hendrik Daniel van Hoorn notaris bij den ed[el]e hove van holland geadmitteerd te Amsterdam resi deerende inpresentie van de nagenoemde getuigen |
1771 october 4 | Simon Rivier op de overtoomse weg aan de stille zijde Willem Siegel nu al op dezelfde weg eenige dictantie verder
Johan Kersten insgelijkz op dezelvde weg dog alle drie onder de jurisdictie van Amstelland Cornelis Jacobsz molenaar op de molen de Lelij almede op de overtoomse weg onder de jurisdictie van deze
stad Claas van den Berg en Elisabeth Lapin huijsbrouw van Willem Wolf beijde wonagtig insgelijkz op de overtoomse weg onder de
Amstelland jurisdictie van deze stad allen van genoegz[ame] ouderdom en hebben ter req[uiste] van de weerdig ut __ ____ _- sal h O r ov__ emwel eerstelijk hij 1 get[uigen] alleen dat op satrudag sijnde geweest den 21 gepas[eerde] maand septemb[er] omtrent de middag gebuurt is dat een kind van hun get[uigen] oud circa 10 jaaren bij hem en zijn get[uigen] vrouw al huijlende en
kermende is thuijs gekomen klagende dat hij door de soon van den molenaar Jan Hapel op een zeer brutale wijze was geslagen geworden en dat hij door dezelve was uijtgescholden voor kattendief waarop de vrouw |
onder de jurisdictie van deze stad toen ook | van hun get[uigen] n ade molen de Lely daar gen[oemde] Jan Hapel met deze 4 get[uigen] ^ wonagtig is i_-get dat vervolgens hij get[uigen] insgelijkz na den gem[elde] molen is toegegaan om so hij verklaart sijn vrouw te persuaauren van weder bij haar sieke kind te huijs te komen en geen rucie of moeijlijkheijd met de gem[elde] molenaar
te maken dat hij get[uigen] daar gekomen zijnde sijn vrouw mit de vrouw van de molenaar in gesprek en woordenstrijt vond scheldende dezelve elkanderen uijt dog hij get[uigen] bragt te weeg dat zijn vrouw weder na haar huijs ging dat hij get[uigen] verders aan de vrouw van gem[elde] molenaar vroeg of haar man niet thuijs was dat het get[uigen] gaarne wilde spreken van hem te versoeken dat hij wilde beleten dat sijn get[uigen] kind niet weder wierd uijtgescholden en geslagen op t welk de vrouw van gem de molenaar hun get[uigen] zijde dat haar man uijt was en is hij get[uigen] vervolgens na zijn huijs gegaan |
is
| verder verklaart hij get[uigen] dat hij maandag sijnde geweest den 30 der gep[asseerde] maand september des voor de middags inde stal geweest sijnde om sijn beroep waar te neemen omtrent de middag weder de stad uijtgegaan om te na sijn huijs gaan dat hij get[uigen] tot op eenige distanti vaanaan de molen de Lelij geariveert sijnde dat dat de dienst meijd van den bovengem[elde] molenaar Jan Hapel die hij get[uigen]daar aan de weg stondhad sien staan om groeten te kopen hun get[uigen] hem driftig voor bij _-liep na haar waarna hij get[uigen] ook kort daar aan ondekte dat den bovengem[elde] molenaar hem get[uigen] die toen tot aan de molen geariv
eert was hem get te gemoet kwam en hem get[uigen] aansprak vragende met sulke of diergelijke woorden aan hem get[uigen] of hij get[uigen] niet eenige dagen te voren bij zijn vrouw was geweest en na hem gevraagt had op t welk hij get[uigen] ja antwoorden daarbij voegende dat sijn voorneemen was geweest van hem te versoeken dat |
X mantel die een jas en aen welke hij digt had toegeslagen | hij soude beleten dat sijn get[uigens] kind niet weder geslagen wierd waar op hij gem[elde] molenaar
op een seer brutale wijze tegen hem get[uigen] is uijtgevaaren en onder anderen seer sterk tegen hem get uijtvarende om datzo hij zeijde sijn get[uigens] vrouw de vrouw van hem molenaar had uijtgescholden voor een hoer dat verders na nog eenige woorde wisseling over en weder hij get[uigen] ^wilde hun gaan seggende dat hij toen de tijd niet had om daar lang over te praten maar dat hij sich wel nader eens wilde doen) op welk moment meer gem[elde] molenaar dies intusse sijn das had los gemaakt en sig tot hem get[uigen] voorkwam in staat stelde van tereg__ hem get[uigen] bij de borst greep en direct een stoot in t aangezigt gaf en tegens de grond schuurde waar door hij get[uigen] voor namentlijk door de swaar stoot sover
buijten sijn kennis is geraakt dat hij get[uigen] niet distinct heeft kunnen onderscheijde en nu verklaaren het geen ten verdes is |
| voorgevallen alleenlijk wat hij get[uigen] seer wel dat hij alwaer op een ontmenschte wijze is mishandelt en dat na sulx een geruijme tijd had geduurt hij get[uigen] is opgestaan en na zijn huijs gelopen sijnde seer veel bebloet en gewont Hij 2 en hij 3 get[uigen] verklaaren nu te samen dat sij get[uigen] op den gem[elde] maandag middag tusschen twee en vieren van uijt de stad na hun huijs gaande en op de overtoomse weg aan de overstillezijde tot aan de molen
de Lelij geariveert sijnde hebben gezien en dat agter dezelve molen deze ^ get[uigen] met den molenaar Jan Hapel eenige woorde wisseling hadden en dat Jan Hapel deze met nae drift get[uigen] bij de borit vatte een stoot met de ruijst int aangezigt gaf en verders tegen de grond schuurde Hij 2 get[uigen] verklaart dat hij get[uigen] sig niet op houdende om dat hij veel haast had sijn weg is vervolgt dog hij get[uigen] |
| sag kort daarna toen hij eenige distantie was voortgegaan ( op het gerugt dat dat hij hoorde) eens agter waarts en onde_ toen dat deze 1 get[uigen] seer bebloet kwam aanlopen en vlugten hij 3 get[uigen] verklaart dat hij een weijnig
stil sijnde blijven staan heeft gezien zo als hij 4 get[uigen] die op dezelve tijd daar almede bij kwam mede verklaart gez[ien] en bij gewoont te hebben dat de boven gem[elde] molenaar Jan Hapel so als sulx door de 3 en 4 get[uigen] samen worde ver klaart deze 1 get[uigen] op de grond legggende op een allder brutaalle en ontmaetsche wijze heeft ge[s]lagen en mishandelt sodanig dat hij 2 get[uigen] swaarbloede waarop hij 4 get[uigen] is goegeschoten en heeft gem[elde] Jan Hapel van he 1 get[uigen] afgesch_ op welke tijd hij 3 get[uigen] mede is heen weg gegaan hij 4 [get[uigen] verklaart verder dat na |
^ en met behulp van d andere luijden dair gehouden | hij g[et]uigen Jan Hapel van hem 1 get[uigen] had afge trokken deze 1 get[uigen] is opgestaan van hem te lopen dog Jan Hapel veel wederter tweede maaten op dezelve aan en stut dezelve met het hoofd seer geweldig tegens sakes hek daar bij de __endat slaan de hem bij aan houden heijd op een seer naeregaande wijze wanneer hij get gen tweede maale is toegeschoten en heeft Jan Hapel te rug getrokken ^ waardoor hij 1 get[uigen] gelegint heijd kreeg van weg en na zijn huijs te vlugten de 5 en 6 get[uigen] verklaren nu beijde dat sij get[uigen op gem[elde] maandag middag ontrent
half een uuren komende aangaan op de overtoomse weg omtrent de molen de Lelij hebben gezien dat deze 4 get[uigen] met nog twee anderen menschenagter de molen bezig waren de molenaar Jan Hapel dair te houden als mede sagen sij get[uigen] dat daar omtrent veel bloet lag en wierden sij get[uigen] toen geinfomreert dat gem[elde] molenaar |
dit A Maas A Maas Junior
| een ogenblik te voren de 1 get[uigen] in deze op een aller gruwelijkste wijze geslagen had hij 5 get[uigen] verklaart kort daar aan de 1 get[uigen] in sijn huijs te hebben gezieen die __ toen bespeurt dat dezelve seer swaar
bloede en vreeselijk mis handelt was gevende voor redenen van wetenschap dit in den tijt gepasseert in Amsterdam in presenti van Jan van Noe en Adriaan en P Lubbunk A Maas Junior Willem Siegel Jan Kersten Simon Rivier Cornelis IJacobs Klaas van den berg merk gesteld door X Elisabet Lape de getuijgen hebben dit vorenstaande met ed[e] bevestigt mij H D van Hoorn |