Cornelis Janssz Fecke als rechte vicaris ende possesseur van de cappelrije ghefundert bij wijlen heer Sijmon Willemsz tot Nieuwenieudorp doet mitsdeesen instinueren aen Dirck Janssz Keuck ende Jan Dircksz Backer dat zij luijden geen penn[ingen] van de huer der landen van de voorsz[egde] cappelrije bij haer tot noch toe ghebruijckt ende geven noch betalen dan in handen van hem vicarus voorsz[egd] oppeijen van anders hen geen betalinge te strecken intedice rende d selve Dirck Janssz Keuck ende Jan Dircksz respective hen d bruijckwaer van de voorsz[egde] landen int geheel noch deel vorder te ondervinden voor ende alleer zij nieuwe huer met vicarius voorn[oem]t daer
van ghemaeckt zullen hebben ende in cas zij hen ter contrarie ijet ondervinden protesteert hij vicarius versz[egd] van costen schaden ende interesten ende wijder zoe nae rechte end doet haer aenseggen zoe d[e] voorsz[egde] Dirck Janssz ende Jan Dirksz gesint zijn met hen huere te maecken van landen die zij elck gebruijckt hebben dat zij datte[lijk]en bij hem mogen comen zal anders ghe nootdruct zijnde t zelve landt anderen te verhueren en tot t welck hij mitsdeesen zijne vrijheijt behout actum den XXVen januarij anno XVJc ende sestien bij mij Cornelis Jansz Fecke t ghene aen d ander zijde van desen ghes[chreven] is hebbe ick Jan Sijmonsz bode tot Nieuwe Nieudorp gheinsumeert geinterdiceert ende gheprotesteert
ten huijse van Dirck Janssz Keuck ende bij zijn apsentie aen zijn huijsvrouw versochte dat ick t zelve aen Wouter Dircksz haer soon zoude doen in haeren naem ofte van haeren t weghen ende t zelve ghedaen aen Wouter Dircksz gaff den selven ter antwoort dat hij bij den req[uiran]t zoude comen ende t zelve oock ghedaen aen Jan Dircksz Backer gaff meden ter antwoort dat hij bijde req[uiran]t zoude comen actum den XXVen januarij 1616 t meck X gestelt bij Jan Sijmonsz bode |