Toelichting: Distributie van levensmiddelen in Nederland

Distributie van levensmiddelen in Nederland

Distributiestamkaart

Al vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hield de Nederlandse overheid rekening met mogelijke tekorten aan levensmiddelen en andere eerste levensbehoeften. In 1939 werd daarom het distributiestelsel voorbereid. Iedere inwoner die daarvoor in aanmerking kwam kreeg een distributiestamkaart. De eerste distributiestamkaart (DSK) werd officieel op 11 oktober 1939 ingevoerd.

De rechthebbenden konden de distributiestamkaart aanvragen bij de distributie dienst van het Centraal Distributiekantoor (CDK). Het hoofd van het gezin kon stamkaarten voor zijn gezin na ondertekening van een ontvangstbewijs ophalen.

De stamkaart zelf was geen bon waarmee levensmiddelen konden worden gekocht. Zij fungeerde als het persoonlijke basisdocument met kolommen A t/m S met nummers 1 t/m 14, T t/m AB met 1 t/m 10 en en BA t/m BJ met 1 t/m 3 totaal 397 vakjes van het distributiesysteem. Op vertoon van de stamkaart konden bij het plaatselijke distributiekantoor de bonkaarten worden afgehaald waarop de daadwerkelijke distributiebonnen stonden. Zo kon worden gecontroleerd dat iedere persoon slechts de bonkaarten ontving waarop hij of zij recht had. In 1941 was deze kaart ook nodig voor het aanvragen van het verplichte persoonsbewijs voor iedereen ouder dan 15 jaar

Eerste productbonnen

In de eerste jaren werden voor verschillende producten afzonderlijke bonkaarten uitgegeven voor de voornaamste en algemene levensmiddelen steeds voor een periode van 4 weken. Suiker was het eerste artikel dat alleen verkrijgbaar was met bonnen. Er kwamen al snel aparte bonkaarten voor textiel, brandstof, serviesgoed, groente, fruit, vis, vet, tabak en versnaperingen.

Bij de verstrekking van boter en vetkaart werd er onderscheid gemaakt tussen huishoudens met een lager inkomen zij kregen de vetkaart voor de goedkopere vetproducten, terwijl hogere inkomens een boterkaart ontvingen.

Daarnaast bestonden algemene bonnen. Deze waren niet vooraf aan één bepaald levensmiddel gekoppeld. Het Centraal Distributiekantoor kon zo'n algemene bon later geldig verklaren voor een bepaald product. Daardoor kon een algemene bon de ene keer bijvoorbeeld voor aardappelen en een andere keer voor een ander levensmiddel worden aangewezen. Soms komt hetzelfde bonnummer meerdere malen op één bonkaart voor. Voor hetzelfde product konden verschillende bonnen nodig zijn wanneer bijvoorbeeld verschillende rantsoenen of hoeveelheden golden.

Begin 1941 werden bij de inlegvellen kaartcodes gebruikt met een G serie voor inlegvellen, een K voor voedingsmiddelenbonkaart gevolgd voor een letter per leeftijdsgroep.

  • A voor personen van 21 jaar en ouder;
  • B voor kinderen 14 tot en met 20 jaar;
  • C voor kinderen 8 tot en met 13 jaar;
  • D voor kinderen van 4 tot en met 7 jaar;
  • E voor kinderen van 2 tot en met 3 jaar;
  • F voor kinderen van 0 tot en met 1 jaar.

Eind 1941 werd het systeem verder gestandaardiseerd en werden verschillende bonkaarten gecombineerd tot boekjes voor verschillende leeftijdsgroepen. Daarbij werden onder meer de lettercombinaties DG, DH, DJ en DK gebruikt.

  • DG voor personen van 21 jaar en ouder;
  • DH voor 14 tot en met 20 jaar;
  • DJ voor 6 tot en met 13 jaar;
  • DK voor kinderen van 0 tot en met 5 jaar.

Daarnaast bleven aanvankelijk ook bepaalde producten herkenbaar aan een eigen codes. Zo waren er vanwege de inkomensklasses aparte kaarten voor boter DP, DQ, textiel V, genotsmiddelen zoals tabak ET, sigaretten EJ en versnaperingen EK en brandstoffen PE en TA. Voor textiel en tabak werd met een extra letter ook nog onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Deze codering veranderde echter in de loop van de tijd

Gecombineerde bonkaarten

In de loop van 1942 werden steeds meer bonnen voor verschillende soorten levensmiddelen op één kaart samengebracht. Zo verschenen op dezelfde bonkaart onder meer bonnen voor vlees, brood, bloem, aardappelen en algemene levensmiddelen.

Daarbij werden letters en cijfers gebruikt om verschillende soorten bonnen en rantsoenen van elkaar te onderscheiden.

Vanaf de vierde distributieperiode van 1942 werd een systeem gebruikt waarbij de bonkaarten voor de verschillende leeftijdsgroepen werden aangeduid met de reeksen.

  • 100 nummers voor personen van 21 jaar en ouder;
  • 200 nummers voor 14 tot en met 20 jaar;
  • 300 nummers voor 4 tot en met 13 jaar;
  • 400 nummers voor kinderen van 0 tot en met 3 jaar.

Stad en platteland

Vanaf de tiende distributieperiode van 1942 werd bovendien onderscheid gemaakt tussen stad en platteland. Hiervoor werden kaarten of bonnen met een verschillende opdruk gebruikt. Stadskaarten kregen een rode opdruk, terwijl voor het platteland een zwarte opdruk werd gebruikt. Landbonnen waren niet geldig in de stad; stadsbonnen konden daarentegen wel op het platteland worden gebruikt.

Klantenbinding

Voor sommige producten werd een aanvullende regeling gebruikt die bekendstond als klantenbinding.

Dat kwam onder andere bij de distributie van groenten voor. Een consument moest daarbij een daarvoor aangewezen bon bij een bepaalde groentehandelaar inleveren. Daarmee werd hij of zij als klant aan die winkelier gekoppeld.

De handelaar kon aan de hand van de ingeleverde bonnen aantonen hoeveel klanten hij moest bevoorraden en daarop kon zijn bevoorrading worden afgestemd.

Beveiligingsdruk en vervalsing

Bij de vroegste bonnen is de achtergrondbedrukking vaak nog betrekkelijk eenvoudig. De achtergrond is veelal in één kleur uitgevoerd en hetzelfde patroon kan over een groot gedeelte van de kaart terugkomen.

Later worden de kaarten grafisch steeds ingewikkelder. Er worden meerdere kleuren gebruikt en kleine patronen en teksten worden voortdurend gewijzigd. Terugkerende elementen zijn bijvoorbeeld de tekst DISTRIBUTIE NEDERLAND en/of de letters DB voorkomen. Deze elementen zijn echter steeds anders uitgevoerd. De lettervormen, lijnen, ornamenten en achtergrondpatronen verschillen van serie tot serie.

De variatie was niet alleen decoratief. Distributiebonnen vertegenwoordigden tijdens de oorlog een grote economische waarde. Bonnen werden gestolen, illegaal verhandeld, nagemaakt en vervalst. Het regelmatig veranderen van kleuren, patronen, lettertypen en achtergrondbedrukkingen maakte het namaken moeilijker en hielp bij de controle op de geldigheid van de bonnen.

Voortdurende veranderingen

In 1944 werd de Tweede Distributiestamkaart (TD) ingevoerd als vervangen van de eerste kaart die 18 juni 1944 buiten werking kwam. Aan deze kaart werd een pasfoto toegevoegd. Er waren kolommen a t/m e voor inlegvellen A, huwelijk B, Geboorte C+D, Ziekte E t/m H, brandstof I+J, schoenen K t/m N, rijwielen en banden O+P, diversen Q t/m Z, AN t/m AT en zonder a t/m e versie een enkele AU t/m AZ , bonkaarten 401 t/m 413 en 501 t/m 513, Gezinshoofd AA+AB, Bijzondere arbeid AC+AD, zelfverzorging categorie graan vlees melk aardappelen en boter AE t/m AK en tot slot de kolen handelaar AL + AM,

Bij deze nieuwe stamkaart hoorden opnieuw inlegvellen en nieuwe typen bonkaarten. Ook de aanduidingen veranderden. In de laatste oorlogsjaren en onmiddellijk daarna komen onder andere kaartcodes met een G serie voor inlegvellen, een K voor voedingsmiddelenbonkaart gevolgd voor een letter per leeftijdsgroep.

  • A voor personen van 19 jaar en ouder;
  • B voor kinderen 15 tot en met 18 jaar;
  • C voor kinderen 5 tot en met 14 jaar;
  • D voor kinderen van 3 tot en met 4 jaar;
  • E voor kinderen van 0 tot en met 2 jaar.

De inlegvellen kregen aanduidingen als GA 401, GB 401, GC 401, GD 401 en GE 401, met daarbij de voedingsmiddelenkaarten KA 410, KB 410, KC 410, KD 410 en KE 410.

Gedurende de oorlog werden er voortdurend nieuwe producten onder distributie gebracht, kaarten vervangen, leeftijdscategorieën gewijzigd, rantsoenen verhoogd of verlaagd en nieuwe nummer- en lettersystemen ingevoerd.

Ook de geldigheidsduur van kaarten kon sterk verschillen. Bij tabakskaarten veranderde bijvoorbeeld van een de duur van acht of zestien weken, naar series met een geldigheidsduur van zestien of twintig weken.

Na de bevrijding

Met de bevrijding in mei 1945 verdween de distributie niet onmiddellijk. Nederland kampte nog steeds met grote tekorten. De voedselproductie, het transport en de internationale handel moesten opnieuw op gang komen. Daarom bleven bonkaarten ook na de oorlog noodzakelijk

Na de bevrijding verschenen vervolgens nieuwe series. Naarmate de economische situatie verbeterde kwamen steeds meer producten weer vrij beschikbaar.

Einde van de distributie

De distributie van verschillende artikelen werd stapsgewijs beëindigd. Zo kwam op 1 juni 1949 een einde aan de distributie van tabak en daarmee aan het gebruik van tabaksbonnen.

Levensmiddelen bleven langer gerantsoeneerd. Koffie was uiteindelijk het laatste levensmiddel waarvoor nog distributiebonnen nodig waren. Met ingang van 14 januari 1952 werd ook de koffierantsoenering opgeheven.

Daarmee kwam, meer dan twaalf jaar nadat in oktober 1939 suiker als eerste levensmiddel op de bon was gegaan, een einde aan de Nederlandse distributie van levensmiddelen.