We hebben met zes man "blauw" gemaakt en zijn 's morgens met de trein van tien voor half negen van Altenbauna naar Naumburg gegaan. Ondanks dat het maar een kleine dertig kilometer is, doet de trein daar twee uur over. Het dorp Naumburg een flink dorp, is zeer mooi. Vandaar ging het lopende twaalf kilometer, door bos en weide naar Waldeck. Onderweg nog een paar, gelukkig niet zware koffers gedragen voor een vrouw die daar in der eentje mee liep te zeulen. We hadden al gewed dat ze ons aanbod zou weigeren, omdat we Ausländers waren, maar het viel mee. Bij Netze nam ze afscheid en wees ze ons de weg door het veld naar Waldeck. In dit aardige toeristen dorp met z'n schitterende omgeving aangekomen, gingen we eerst in een restaurant wat drinken, alwaar we ook eten konden krijgen op onze bonnen. Toen gingen we op de ansichtkaarten jacht, hetgeen niet meeviel, daar sommige gesloten waren en ook sommige kaarten zoals foto's van de stuwdammen niet verkocht mochten worden, welke wij juist zo graag wilden hebben. We schrokken nog van een Duitser in een uniform die vroeg wat of we kwamen doen. Maar hij maakte gelukkig slechts een praatje met ons. Wij hadden natuurlijk een beetje ongerust geweten omdat we blauw hadden gemaakt. Hij praatte perfect Hollands.Toen gingen we naar Slot Waldeck aan de Edersee, eventjes buiten het dorp. Een aardig slot, hetwelk helaas een paar jaar terug gedeeltelijk uitgebrand was. Daar is onze overleden koningin-moeder nog geboren. (Hier maakt hij een vergissing de koningin-moeder Emma was wel prinses van Waldeck-Pyrmont, maar zij werd geboren in Schloss Arolsen, niet in Schloss Waldeck)
Wij dachten een zee te zien te krijgen, of althans veel water, maar die zee, of althans dat reuze grote meer was helemaal leeg, op een klein smal stroompje na aan de kant. Dat water is echter door de stuk gebombardeerde stuwdam weggelopen. Op de bodem zag je nog een paar ruïnes van een vroegere dorp het welk daar gelegen had. Toen zijn we naar de stuwdam gewandeld, onderweg nog foto’s gemaakt van het lege meer, welke natuurlijk wel verboden zullen zijn. Aan de stuwdam werd hard gewerkt om hem weer in orde te maken. De onderkant van dat gat is wel een twintig meter en de bovenkant veertig meter breed. Nu het te laat is staat er veel afweergeschut op die dam, hetwelk er tijdens de bomaanval niet op stond. Bij de stuwdam mochten we er niet door, we zijn toen de bergen in gegaan en zo om de wachtpost heengetrokken.
We kwamen toen bij het dorpje Affoldern uit, hetwelk met het dorpje Hemfurt totaal vernietigd is door het aanstromende water uit de Edersee. eerst spraken we nog een stelletje Hollanders die aan de stuwdam werken en daar in barakken lagen. Daar trof ik ook Dirk Olfers en Henk Gimpal aan, iets wat je natuurlijk helemaal niet verwacht. Ze verdienden slecht en Dirk z'n vrouw, want hij is al getrouwd, had al in een paar weken geen geld gehad. Toen moesten we weer naar Waldeck, want we moesten toch onderdak hebben die nacht, anders hadden we in het bos moeten slapen. Gelukkig kwam ons een auto achterop die ons meenam, want het was vast wel een paar uur lopen geweest, terwijl Dirk had gezegd dat het dwars doorgestoken slechts een uur was. In Waldeck aangekomen gingen we langs de hotels, waarom we ons maar flink in elkaar doken om ons zo min mogelijk te laten zien, want het was een smerige vrachtwagen en dat is toch geen gezicht daar op te zitten, temeer daar we nog naar kamers moesten zoeken. Toen we uitgestapt waren gingen we weer naar slot Waldeck, maar daar zit 's nachts een luisterpost op en konden we niet slapen. En die militair vertelde ons bovendien dat alles bezet was, want hij had ook al moeite gedaan voor een kamer voor z'n vrouw. Eindelijk besloten we dan maar het bos weer in te gaan. Maar even buiten Waldeck zagen we nog een pension en ik besloot, al waren de anderen het er niet mee eens omdat het toch wel weer een mislukking zou zijn, daar nog eens te vragen. Met z'n tweeën gingen we naar binnen en al waren alle bedden bezet, we konden toen in 't hooi blijven slapen. Ook konden we als we over een uurtje terugkwamen nog te eten krijgen. Dus we waren natuurlijk in de wolken van blijdschap, want het was zo zoetjes aan half tien geworden.
Toen we terug kwamen kregen we flink te eten, zij het dan ook alleen aardappelen, maar met spekvet erover. De aardappelen moesten we nog pellen, wat wij natuurlijk niet gewend zijn, hetwelk die vrouw ook wel kon zien zei zij. Ook was er nog koffie met melk, hoelang heb ik dat al niet meer gedronken. De vrouw die ons bediende en waarvan wij dachten dat het de pensionhoudster of zoiets dergelijks was, maakte zich een ogenblik daarna aan ons bekend als de vrouw van een directeur van een munitiefabriek uit Berlijn, veel groter als Henschel. Dus we zwollen zeer begrijpelijk van trots. Toen gingen we naar ons "bed", in het hooi, hetwelk we afgedekt hadden met dekens welke wij ook van die vrouw kregen.
beschreven op 19 juli 1943.