Martien, die ontslag had gekregen bij Henschel en dacht dat hij naar huis toe mocht, moet bij een andere firma werken in Kassel. Hij slaapt nu ook ergens anders in barakken. Het huilen stond hem nader als het lachen. Zijn koffers had hij al naar het station gebracht. En al zijn bonnen had hij of opgemaakt of verkocht. Ik had zijn eieren kaart gekocht voor twee mark. Natuurlijk heb ik die weer terug gegeven. Ik dacht wel dat het er iets tussen zou komen. Ze laten je zomaar niet naar huis gaan. Het is ook jammer van die brief van liefst eventjes acht kantjes, welk hij voor mij mee zou nemen om in Amsterdam op de post te doen. Ik heb nu vanavond maar een andere brief geschreven. Een van maar 1 kantje, want ik had niet veel zin meer naar dat herhaaldelijk opnieuw schrijven van brieven die meest toch niet aankomen. Die heb ik weer, zoals altijd per expres verzonden.
Ik heb toch dat avond baantje van Martien gekregen want hij kan dat, al blijft hij hier, toch niet meer waarnemen. Een lekker baantjes is dat. Een driewielige auto volladen met brood en een paar straten verder bij onze bakker, die zelfs niet meer kan bakken omdat zijn oven nog niet in orde is, weer afladen. Onderhand pik je van die lekkere warme korstjes van het brood af. We kreeg ieder één kilo brood. Dat is echter niet elke avond dat we wat krijgen. Meestal om de avond.
Verder merkt hij op dat hun omstandigheden, zoals eten en werk, soms gunstiger lijken dan die in Nederland. In Amsterdam is de situatie juist moeilijk: er is veel werk, weinig eten, en mensen worden weggehaald voor arbeid.
Tot slot vraagt hij hen om geld naar huis te sturen, vooral voor de familie, en benadrukt dat ze hun plicht moeten doen en voorzichtig moeten zijn vanwege de censuur.