Duitse Rijk Oberzwehren-Kassel, 'Lindehof' Altenbaunaer Straße 72 Zaterdag 3 oktober 1942

Wat een vertoning. Eerst vanmorgen kwam van Loon zeggen dat we allemaal naar Kassel moesten om ontluist te worden. Degene die niet ging, beliep de kans dat hij vanavond er niet meer in mocht. Over vier weken zouden we naar de barakken gaan, zei hij, maar nadat hij even daarna opgebeld was vertelde hij dat we vanmiddag al over zouden gaan. De ontsmetter die ook al gearriveerd was zei ons dat we niets hoefden mee te nemen en alles konden laten staan. Ook etenswaren, maar die moesten ingepakt zijn. Daarvoor had je nu alles ingepakt. Net zoals altijd was de organisatie weer hopeloos. Één lichtpuntje was onder de hand nog dat ik een klein pakje kreeg van thuis het welke ik eerst maar wegzette totdat de rommel afgelopen zou zijn.

Toen gingen we met zijn allen op stap van Loon ging mee, althans gedeeltelijk is hij meegegaan. Op het Friedrichsplatz waar we moesten overstappen maakt de Henk nog met mijn toestel een foto van ons als gedachtenis, toen kwamen we op de plaats van bestemming aan. Een klein gebouwtje. Eerst moest er een groepje van ongeveer twintig jongens naar binnen. We moesten in de wachtkamer blijven. Even daarna zagen we door een raam van de wachtkamer die jongens spiernaakt staan, terwijl ze hun goed op haken moesten hangen, het welk allemaal in een grote oven ging. Zo werd er af en toe een groepje van ongeveer tien man weggehaald maar de anderen zagen we niet terug. Maar, zoals naderhand een van de knechts ons vertelde, gingen ze aan de andere kant van het gebouw er weer uit. Ik had niet veel lust om ook die behandeling te ondergaan en hoopte te weten te komen of je naam opgeschreven werd of dat je een bewijs kreeg of zoiets dergelijks. Als dat nu niet het geval was, was ik van plan foetsie te gaan daar je vrij naar buiten kon lopen. Daar kwam eindelijk één van de jongens van de eerste ploeg even bij ons aanlopen. Toen we hoorden dat je naam niet opgeschreven werd, liepen er verschillende weg, waar onder ook ik. Henk bleef. Het goed wat in de ketels was geweest had voor zover ik kon nagaan niet onder de behandeling geleden, al is het natuurlijk niet aan te bevelen.

Ik ging nu naar Altenbauna om te eten. Daar vandaan ging ik eens naar de nieuwe barakken. Ik wist toch ook niet hoe of wat. Daar sprak ik de Lagerführer. Die vroegen ons eerst nadat hij gehoord had dat we van Lindenhof kwamen, of we wel ontluisd waren. Ik hoop van harte dat die ellendeling voor die hartelijke woorden, ook op zulk hartelijke toon uitgesproken, nog eens dik onder de luizen komt te zitten. Toen wees hij ons onze barakken. Ik ging nu weer naar Lindenhof om te kijken of ik mijn bagage al kon krijgen. Daar zaten de deuren nog dicht. Na een tijdje zetten een paar jongens de deur van de benedenzaal open, ofschoon het nog wel veel te vroeg was, er was gezegd om drie uur. Toen er een paar jongens ook op de bovenzaal gingen, ben ik mijn koffer wezen halen. Ook heb ik toen mijn pakje opengemaakt, het welk de lang verwachte wol bevatten en ook nog wat snoeperij. Het deed me eigenlijk een beetje pijn. Ze moeten dat snoep zelf uitsparen terwijl ze toch al niet te veel meer krijgen in Holland, zoals je van verlofgangers hoort.

We wisten nu eigenlijk niet goed of we nu wel of niet naar de barakken moesten. Volgens sommigen waren die van ons nog lang niet klaar, weer anderen zijde van wel. Daartegenover stond dat ze die Lagerführer toch tegen mij en enkele andere gezegd had dat we komen moesten. Eindelijk ging Toepoel en nog iemand die een trekkarretje op had gescharreld weg. Ik besloot toen mijn mee te gaan, daar nu ook mooi mijn koffer op dat wagentje kon. Aankomende bij de barak die voor ons bestemd was, zagen we al gauw dat er nog niets in orde was. Nog geeneens glas zat er in de ramen. Ook was er nog geen water, licht, kastjes, wc's en geen strozak op de ledikanten. Ja, die konden we zelf wel vullen zij die Lagerführer. Wij weer terug. In het heen gaan, had ik nog een foto genomen van de anderen. In het teruggaan liet ik er door een ander één maken. ’Toen we weer een tijdje terug waren, kwam van Loon vragen Waarom wij niet naar de barakken waren gegaan. Die paar ongemakken waren gauw genoeg verholpen, zei hij. Hij zou maken dat dit avondeten nog op Lindenhof bezorgd werd. Na een tijdje kwam Toepoel, die in de barak gebleven was ons zeggen dat het eten niet meer gebracht werd. We moesten met onze schalen en lepels maar naar daar komen. Nadat we, niet alle jongens gingen mee, eindelijk na veel gezoek de kantine van de barakken hadden gevonden, kregen we wel soep maar brood konden we niet meer bekomen. Toen we zo met onze schaaltjes soep en onze hand en onze ziel onder onze arm in een stikdonkere gang stonden te eten, werden we door een paar Serven uitgenodigd binnen te komen en te gaan zitten. Daar maakten wij natuurlijk een dankbaar gebruik van. Bij het weggaan zagen we nog hoe een Serviër door een kamerwacht een paar klappen kreeg, omdat hij nog om wat soep vroeg en toen niet al te vlug weg ging. Wij aanvaarden nu terugtocht. Welke in het begin niet al te makkelijk was, want het was stikdonker en begaanbare wegen zijn tussen de barakken nog niet gemaakt. Bovendien liggen ze op een helling. We hebben natuurlijk onderweg ondanks alle ellende flink gezongen met onze witte schaaltjes als helm op ons hoofd, al is dat misschien niet al hygiënisch. Maar wat dat betreft kun je hier niet zo nauw kijken, anders houd je het helemaal niet uit.

Sommige jongens hadden ‘s middags geen eten gehad omdat ze te laat uit Kassel terug waren. Met dat al, echt weer een dag van Duitse kameraadschap en goede verzorging voor de Ausländers. Het enige lichtpuntje vandaag was het pakje van thuis en dat de toffees al op zijn kun je ook wel begrijpen.